Afgelopen weekend heb ik doorgebracht met belangrijk en omvangrijk dianeveldonderzoek naar onze Vlaamse creatieve industrie. Vrij vertaald, ik ben gaan winkelen. Ik wou weten hoe onze bekende designers het er afbrengen in de Big Apple en nam de proef op de som in het energieke Meatpacking District van Manhattan. Een buurt die onder stroom staat met hippe hotels, baanbrekende bars en modieuze merken. En wie op zoek is naar de allerlaatste mode, begint best bij Jeffrey. Een poepchic warenhuis waar je een weldoordachte outfit kunt aanschaffen die de buitenwereld moet doen geloven dat je die nonchalant uit je kast hebt geplukt.

Voor de gewone stervelingen onder ons beperkt een tripje naar dat walhalla van de goede smaak en exorbitante prijzen zich evenwel tot kijken en niet aanraken. Een stel stijlvolle sportschoenen die eruit zien alsof ze door de eerste de beste stukadoor dagelijks gebruikt zijn bij het uitvoeren van pleisterwerkzaamheden, kost al gauw 600 dollar. Bij het binnenkomen vroeg ik toch dapper of ze misschien iets hadden van een Antwerpse designer. De verkoper keek me een beetje vreemd aan. Ik maakte me al klaar om uit te leggen dat het hier een stad niet ver van Brussel betrof. Maar even later begreep ik zijn verwarring want mijn vraag leidde tot een lange en enthousiaste rondleiding door de helft van de winkel. Ivan, zoals de man heette, liet me rekken met Margiela T-shirts, jassen en broeken van Ann Demeulemeester, schoenen van Raf Simons en een collectie van ‘Dries’-hemden zien terwijl hij honderduit vertelde over de professionele successen en levensverhalen van elke ontwerper. Er was maar één conclusie: we are hot in the capital of cool.

Dat is goed nieuws. Want maandag hadden we met het Flanders Fashion Institute, onderdeel van Flanders DC, een pak volk uitgenodigd op de 44ste verdieping van het NYTimes-gebouw, de kantoren van Flanders House. Opzet was om zeven nieuwe designers te lanceren op de Amerikaanse markt. Geen beter tijdstip dan de NYFashion Week om Amerikaanse pers, professionele aankopers en fashionistas warm te maken voor de producten van onze creatieve industrie. Daarom liet Showroom Antwerp niet alleen zeven nieuwe mode-ontwerpers los maar ook zeven Vlaamse juweelontwerpers die met Antwerpse diamant de HRD Awards hadden gewonnen. En ook een speciale fotoreeks, door Flore Zoé, die het hele ontwerpproces van idee tot uitvoering in beeld bracht, was van de partij.

En of het een succes was. Het was over fraaie koppen lopen. Diane Von Fürstenberg, ontwerpster, uitvindster van de wrap dress en voorzitter van de Amerikaanse Raad van Modeontwerpers, was laaiend enthousiast. De stukken van Anke Loh, Marc Philippe Coudeyre, Anna Heylen, Lenney Leleu, Stephan Schneider, Peter Ceursters en Idriz Jossa lokten lyrische reacties uit. De Amerikaanse pers noemde ons land achteraf ‘the gift that keeps on giving’ op vlak van creativiteit. De meest invloedrijke modeblog merkte op dat ’some of the biggest names in fashion have come out of small-but-mighty Belgium so it made sense that a presentation of up-and-coming Flemish designer would draw a big fashion week crowd and offer some very cool pieces’. Een andere riep Antwerpen uit tot ‘avant-garde stijlhoofdstad zonder gelijke’. En veel meer van dat. We zijn dus echt wel meer dan bier en chocola en dat begint door te sijpelen. Onze creatieve industrie is ons uniek visitekaartje in de wereld en een belangrijke groeimotor. Hoe meer we daar van exporteren, hoe meer jobs we hier creëren. Als we het nu ook zelf, met een vleugje New Yorkse zelfverzekerdheid, geloven, kunnen we het land van de creativiteit worden en de wereld laten zien dat de F in Fashion voor Flanders staat. Frank Sinatra zong het, de Vlamingen doen het. ‘If you can make it there, you can make it anywhere.’

Lorin Parys is voorzitter van Flanders DC. Hij schrijft deze column in eigen naam voor De Standaard.