Ontroerend Goed mag zich tot een van de bekendste theatergezelschappen van Vlaanderen rekenen. Enkele weken geleden haalden zij maar liefst hun zevende Fringe First Award binnen op de internationale theatergronden van Edinburgh. Het geheim van hun succes? Elitair denken links laten liggen, risico’s durven nemen en de centen goed in de gaten houden.

David Bauwens en Alexander Devriendt Ontroerend Goed

David Bauwens en Alexander Devriendt © Ringo Gomez-Jorge

Over Ontroerend Goed

Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe artikels in dit magazine? Schrijf je in op onze nieuwsbrief!

  • theatergezelschap opgericht in 1994
  • bestaat uit acht vaste medewerkers en meer dan honderd freelancers
  • David Bauwens is zakelijk leider en studeerde rechten
  • Alexander Devriendt is artistiek leider en studeerde talen
  • wonnen de prijs voor Jong Werk van Theater Aan Zee in 2003 met Porror Trilogie
  • bekende actrice Charlotte De Bruyne en acteur Angelo Tijssens (co-auteur van de film Girl) behoren tot de rangen
  • www.ontroerendgoed.be

Hoe belangrijk is Fringe in Edinburgh eigenlijk?

David: Het is één van de twee grootste internationale theaterplatforms. Edinburgh is belangrijk voor de Angelsaksische wereld, Avignon voor de Franstalige. Hier komen promotors werkelijk ‘shoppen’. 

Alexander: Er worden ongeveer 3.500 voorstellingen gespeeld. Je kunt het vergelijken met Cannes in de filmwereld. Nu, als je er een productie van bijvoorbeeld zes acteurs op poten moet zetten, dan is Fringe verlieslatend en dus eerder een investering dan een inkomst. David heeft ons ooit ertoe gepusht. 

Waarom, David? Was Edinburgh noodzakelijk?

David: Ons theater was te alternatief en te experimenteel om in de Benelux een volledig jaar continu te kunnen spelen. Ons bereik was beperkt tot de grootsteden. Ofwel pas je je dan artistiek aan, ofwel zoek je internationaal naar meer grootsteden. Vandaar Fringe. Het was een pure gok.

Hoe is die gok uitgedraaid?

David: De eerste keer was in 2007 met de voorstelling The Smile Off Your Face. Ik weet nog goed dat de voorstelling in de kelder van een kelder doorging (lacht).

Alexander: Volk aantrekken verliep erg moeizaam. Op een gegeven moment zijn wij mensen beginnen ronselen op straat met gratis kaartjes. En dan, plots, op de zesde dag, na mond-tot-mondreclame vermoed ik, zat de zaal vol. 

David: Tot onze verbazing hebben wij dat jaar meteen de Fringe First Award gewonnen. De twee daaropvolgende jaren ook. Zo is onze internationale reputatie gestart. Plots kwamen wij in contact met theaters in Engeland, Italië, Australië en elders.

The Smile Off Your Face Ontroerend Goed

The Smile Off Your Face © Virginie Schreyen

Hoe verklaar je dat plotse succes?

Alexander: Op de juiste plaats op het juiste moment aanwezig zijn en een goede inschatting maken. Fringe was destijds een vrij klassieke bedoening. Je kon er gemakkelijk vijf verschillende versies van Shakespeare of Oscar Wilde bijwonen. De onze had een sterke performancekant: de bezoeker werd vastgebonden en geblinddoekt rondgereden. Dat was natuurlijk een goede gimmick die hielp om ons verhaal aan de man te brengen.

Het valt op dat Ontroerend Goed de gimmick niet mijdt. Iedere voorstelling wordt gekenmerkt door een waw-effect en het verhaal valt steeds in enkele regels samen te vatten. Kortom, het is ‘verkoopbaar’. Is dat bewust?

Alexander: Zeker. Ik ben niet vies van een sterke gimmick. Die mag gewoonweg niet primeren op de inhoud van het stuk. Vaak schrijft men in het theater voor een nichepubliek.

Ik wil iedereen aantrekken. En daarom zorg ik voor een eerste, gemakkelijke laag die iedereen kan aanspreken.

Zoals in Are we not drawn onward to new erA waarin een acteur achterwaarts spreekt. Dat is puur vakmanschap met een waw-effect waarvan ik weet dat zelfs mijn oom het leuk zal vinden. Vervolgens zijn er diepere lagen die de meerwaardezoeker kan uitspitten.

Alexander Devriendt en David Bauwens Ontroerend Goed

Alexander Devriendt en David Bauwens © Ringo Gomez-Jorge

Vaak vinden conceptuele theatermakers dat soort ideeën ‘spektakel voor het gepeupel’.

Alexander: Sommigen zouden bang zijn om hun artistiek sérieux te verliezen. Maar er mag een entertainmentgehalte zijn.

Wanneer gebeurde de doorbraak?

David: Er zijn verschillende momenten. De eerste was: elkaar vinden. Vervolgens: het winnen van de prijs Jong Werk van Theater Aan Zee in 2003 met Porror Trilogie, Edinburgh in 2007 en de eerste subsidie krijgen. 

De eerste subsidie krijgen?

David: Het verwerven van een subsidie valt echt niet te onderschatten. Zonder maak je steeds weer in totale onzekerheid een stuk. In zo’n situatie kun je niet experimenteren omdat je angst hebt dat het niets zal opbrengen. 

Alexander: In Edinburgh zijn we eens op een diner van een theatermaker beland. Hij had al zijn vijftig donors uitgenodigd. Hij moest wel: want zonder hun geld geen theater voor hem. Je merkte dat hij de hoer moest spelen. Zijn stukken zijn tevens nooit meer zo goed geweest als zijn eerste. Nog een voorbeeld: de VS. Zo’n grote oppervlakte, maar zo weinig vernieuwing. Dat is het nadeel van het model zonder subsidie. Er wordt theater gemaakt om te pleasen. Wij hebben met subsidies een vrijgeleide om te doen wat we willen. 

David: TAZ heeft geholpen. Daardoor heeft het STUK in Leuven ons een jaar ondersteund en hebben wij vervolgens een projectsubsidie in de wacht gesleept. Het jaar erop steunde het STUK ons weer. In 2006 hebben wij een structurele subsidie aangevraagd om een continue werking te voorzien.

£¥€$ Ontroerend Goed

£¥€$ © Thomas Dhanens

In de theaterwereld is het geweten dat een goede zakelijk leider van levensbelang is. Daarom dat je ‘elkaar vinden’ als eerste doorbraak aanhaalde?

David: Absoluut. Ik ben erbij van in het begin, maar als maker. Doordat ik rechten heb gestudeerd, belandden contracten en dat soort zaken in mijn mandje. Stap voor stap is dat verder gegroeid tot zakelijke leiding. Vele organisaties hebben niet zo iemand in het gezelschap en moeten een externe leider in de arm nemen. Vaak hebben zij weinig voeling met het artistiek parcours.

Er is een enorme vraag naar zakelijk leiders in de theaterwereld.

De reden is eenvoudig. Je verdient met zakelijke kennis elders meer, bijvoorbeeld in het bankwezen.

Alexander, houd jij rekening met de zakelijke kant?

Alexander: Als we een bepaald jaar moeten besparen, dan durf ik te zeggen: dit jaar maken we een monoloog. Wij zijn van in het begin heel realistisch geweest.

Collectieven die enkel met het artistieke bezig zijn, botsen op een gegeven moment op de nuchterheid van het zakelijke gedeelte.

Dat is hard. De goede collectieven van vandaag zijn degenen die zowel artistiek als zakelijk sterk staan. Weet je, toen ik 21 jaar oud was, ontmoette ik op café mensen met grotere plannen dan de mijne. Het verschil is dat ik heb doorgezet. Ik schrijf een subsidiedossier zonder te morren. 

Ontroerend Goed

Ontroerend Goed © Eva Vermandel

David, zakelijk leider zijn klinkt als een ondankbare job voor iemand die eigenlijk gewoon theater wilde maken.

David: Ik geef toe, op een gegeven moment had ik moeite om van een theaterstuk te genieten omdat ik het te technisch bekeek. Die kant van het verhaal heb ik weten te appreciëren door mijn eigen praktijk met diezelfde objectiviteit te bekijken. Ik hoef niet steeds mijn goesting te doen. Dit jaar nog zag ik een stuk in Edinburgh waar heel wat zaken beter aan konden. Terwijl anderen het maar niets vonden, vond ik het fascinerend om te zien hoe er productioneel aan gesleuteld kon worden. Ik was eerder verrast door wat er objectief gebeurde, dan wat de toeschouwer subjectief zou ervaren.

Alexander: Nu, dit is allemaal retrospectief, hé. We zijn ook maar begonnen als een bende pubers die poëzie schreven en dat voor vijftig frank op straat verkochten (lacht).