Vijftig visies — De creatieve sector kijkt vooruit: wat na corona?

Is de coronacrisis een gamechanger voor de creatieve sector? Flanders DC geeft het woord aan vijftig experts actief in verschillende sectoren, zoals design, mode, games, muziek, audiovisuele industrie en gedrukte media. Hoe kijken zij vooruit? Welke nieuwe businessmodellen, processen, structuren, ideeën en werkwijzen mogen of zullen volgens hen het daglicht zien?

Op deze pagina lees je de visie van Kaat Debo.

Het afgelopen crisisjaar hebben de musea in Vlaanderen zich opgeworpen als safe spaces, waar de bezoekers in een gecontroleerde omgeving kunnen genieten van hun bezoek. Naast de gebruikelijke hygiënische maatregelen, werden de bezoekersaantallen beperkt (online verkoop via tijdssloten) en de bezoekersstromen ter plaatse strikt gecontroleerd. De bezoekersaantallen beperken leidde vaak tot bijzondere en zelfs heel comfortabele bezoekerservaringen, waarbij de bezoeker in kleine groepen en in alle rust van de tentoongestelde kunst kon genieten: geen overvolle zalen, geen gedrum of slechte dienstverlening, maar een bijna op maat gemaakte beleving en service. De keerzijde daarvan ligt aan de zakelijke kant. Musea hadden extra kosten voor onderhoud en personeelsbezetting aan de ene kant, en dalende inkomsten aan de andere kant (minder ticketverkoop en geen inkomsten meer uit horeca, de shop of evenementen). [1] 

Kaat Debo

Kaat Debo © Frederik Vercruysse

Kan de crisis hier ook opportuniteiten bieden? Kunnen we de bijzondere beleving die in coronatijden zo gewaardeerd werd door de bezoeker koppelen aan een rendabel businessmodel? Laten we daarom eens kritisch naar onze openingsuren kijken. Decennialang zijn de meeste musea geopend van dinsdag tot zondag, van 10 tot 17 of 18 uur, met hier en daar een sporadische avondopening (de Antwerpse stedelijke musea bieden geen structurele avondopening aan). Het merendeel van de werkende en studerende bevolking duwen we daardoor vooral naar het weekend, traditioneel de drukste dagen. Tijdens de weekdagen rekenen we vaak vooral op groepsbezoeken (socioculturele groepen of scholen) en toeristen. Die laatste groep zal in de toekomst uitdagend blijken, aangezien we nu al weten dat het nog jaren kan duren vooraleer het internationale toerisme opnieuw zal aantrekken. 

De komende jaren zullen vooral de lokale bezoekers (naast toeristen uit de directe buurlanden) een belangrijke doelgroep zijn. Laten we daarom bekijken hoe we die lokale bezoeker kunnen stimuleren tot een museumbezoek en onderzoeken of we onze openingsuren kunnen uitbreiden met meerdere avondopeningen tijdens de week (ter compensatie van oplopende kosten eventueel een bijkomende sluitingsdag inrichten?). Op voorwaarde dat we tijdens die avonden ook een aantrekkelijk extra aanbod (met extra inkomsten) voorzien waarvoor we de handen ineenslaan met andere, soms zwaar getroffen culturele sectoren, zoals de muziek- en podiumkunstensector. Want de safe spaces die de musea bewezen hebben te zijn, kunnen presentatieplatformen bieden aan acteurs en muzikanten,… 

“Musea zouden zuurstof kunnen bieden en in samenwerking met andere disciplines hun publiek niet alleen kunnen spreiden, maar ook verruimen en andere doelgroepen aanboren.”

Kaat Debo,

MoMu-directrice

Nu al is duidelijk dat de podiumkunsten tegen een tekort aan presentatieplekken dreigen aan te lopen, door de verschuiving van de programmatie van 2020/21 naar de komende jaren. Musea zouden zuurstof kunnen bieden en in samenwerking met andere disciplines hun publiek niet alleen kunnen spreiden, maar ook verruimen en andere doelgroepen aanboren. Het idee is prematuur, maar verdient op zijn minst grondig onderzocht te worden. De crisis kan opportuniteiten bieden als we onze werking echt ter discussie durven te stellen en als we over het muurtje van onze eigen discipline en onze eigen sector durven te kijken.

[1] Internationaal tekende zich dat nog veel scherper af bij musea met een businessmodel dat sterk afhankelijk is van zelfgegenereerde inkomsten. Een grote speler als het V&A Museum in Londen zag zijn zelfgegeneerde inkomsten met maar liefst 63% dalen, van 64 miljoen pond in 2019 tot 24 miljoen pond in 2020. De crisis zet de vraag naar duurzame businessmodellen op scherp. De grote spelers zoals het Rijksmuseum, het V&A Museum en het Louvre, met prepandemiebezoekersaantallen (2019) van respectievelijk 2,7 miljoen, 4,3 miljoen en 9,6 miljoen bezoekers, en een overwicht aan buitenlandse bezoekers, staan voor dergelijke grote verliezen, dat het voor sommige hun voortbestaan bedreigt, en minstens de komende jaren de werking zwaar zal hypothekeren. Daarbij moet gezegd dat de race naar steeds toenemende bezoekersaantallen, en een daaraan gekoppeld lucratief businessmodel, in prepandemietijden volledig was doorgeslagen. Dat leidde niet alleen tot een zeer grote belasting van museuminfrastructuur en -collecties, maar steden zoals Amsterdam en Venetië kreunden ook onder de niet-aflatende stroom toeristen. De businessmodellen die cultuurbeleving veranderden in cultuurconsumptie bleken niet alleen een zware maatschappelijke prijs met zich mee te brengen, maar hebben nu ook zakelijk een duidelijk boemerangeffect voor dieze musea.


Wie is Kaat Debo?
Kaat Debo studeerde literatuur aan de universiteiten van Antwerpen en Berlijn. In 2001 vervoegde ze het ModeMuseum Antwerpen (MoMu), waar ze tot en met 2008 werkte als curatrice en verantwoordelijk was voor het tentoonstellingsbeleid. In 2007 en 2008 was ze naast haar activiteiten als curatrice ook hoofdredactrice van A MAGAZINE. Sinds 2009 is ze algemeen directrice en hoofdcuratrice van het MoMu.